James Monroe was de 5e president (1817 - 1825) van de Verenigde Staten. In een toespraak voor het Congres in 1823 wees hij elke bemoeienis van Europese landen op het westelijk halfrond (hij doelde daarbij vooral op ingrijpen in de toen nog jonge landen in Zuid-Amerika) af.
In 1904, ruim 80 jaar na de oorspronkelijke Monroe-doctrine, komt er een aanvulling op als Theodore Roosevelt president is. Roosevelt vindt dat de Europeanen zich niet te mengen hebben in Latijns-Amerika. Enkel wanneer de situatie in Latijns-Amerikaanse landen zo uit de hand zou lopen dat instabiliteit zou ontstaan en zij zich niet aan hun internationale verplichtingen zouden houden, hebben wij het recht en wellicht ook de plicht om op te treden met een politieke of militaire interventie, vindt Roosevelt. Zijn uitspraak gaat de geschiedenis in als de Roosevelt Corollary.
Waar de doctrine in de tijd van Monroe ('America for the Americans') nog puur verwees naar de Latijns-Amerikaanse landen, wordt het na de Roosevelt Corollary vooral gezien als een bevestiging van het leiderschap van de VS in de regio.
In januari 2026 gaf het optreden van de Amerikaanse president aanleiding tot de term Donroe-doctrine.
Zie ook: nationale veiligheid, geo-economische macht, hard power.
|